dinsdag 8 mei 2018

Leef!


Deze column schreef ik onlangs voor Meander Magazine.


In het halletje van haar flat staat ze op me te wachten. Klein van stuk, een frivool sjaaltje en de handtas kordaat om haar middel. Ik mag Maria zeggen. Als je als twee onbekenden samen gaat lunchen, kun je de formaliteiten beter zo snel mogelijk schrappen. We gaan op weg naar het centrum van Heerlerheide, daar komt Maria graag, zeker bij mooi weer. Dat is het vandaag alles behalve. Er staat een koude wind en het regent onophoudelijk. In Brasserie Leef  op het marktplein ziet het er behaaglijk en gezellig druk uit. 


“Wat ga je me allemaal vragen?”, klinkt het als ik mijn notitieblok even later uit de tas haal en op tafel leg. “Wat wil je mij vertellen?” kaats ik de vraag terug. Daar hoeft Maria niet lang over na te denken. Nog voordat de thee en cappuccino op tafel staan, vertelt ze over haar gezondheid en hoe broos die is. De laatste jaren was het ziekenhuis in en uit, inclusief een coma-periode van anderhalve week. Tot twee keer te heeft ze kantje boord gelegen. Naast een ernstige leverziekte, kreeg ze longembolie. Daarbij heeft ze astma, suikerziekte en reuma. “En je mag nog iets aan het rijtje toevoegen” zegt ze. Het is stil en ze lijkt in haar koffiekopje verzonken. Het lepeltje klikt tegen de rand. “Eenzaamheid” zegt ze dan met een zucht. “Misschien is dat van alles wel de ergste kwaal.” 

“Eenzaamheid zegt ze. 
Misschien is dat wel de ergste kwaal”


Op de bezoekjes van de thuiszorg na en de ontmoetingen met medebewoners in de openbare ruimte van de flat is het leven erg stil. Haar jeugd was alles behalve rooskleurig met een  moeder die niet voor haar negen kinderen kon zorgen. Jarenlang verbleef Maria met haar broers en zussen intern in een klooster in Simpelveld, overgeleverd aan de grillen van de nonnen. Enge dromen hebben haar het hele leven achtervolgd. “Ik droom vaak akelige dingen. Heel naar is dat. Maar ach, dan denk ik: iedereen heeft dat toch wel? Ik droom ook vaak heel mooi, laatst nog dat ik kon vliegen. Dat maakt het weer goed.”

Ze lacht en lepelt het schuim van haar cappuccino. Het bijgeleverde chocolaatje neemt ze erachteraan. “Mag eigenlijk niet, maar soms moet je eens gek doen.”  Haar dag begint steevast met injecties, prikken en een hele riedel aan medicijnen, die ze tegenwoordig via een automatische medicijndoos krijgt  toegediend. “De meisjes van de thuiszorg komen twee keer per dag en houden me goed in de gaten.“  Zonder nadenken somt ze de namen op.

“Hoe zien je echte dromen eruit”vraag ik. “Wat zou je graag willen?” Maria buigt zich naar me toe en fluistert: “Het strand. Egmond aan Zee, Scheveningen, het maakt me niks uit als er maar duinen zijn. Toen ik als kind de rode hond had, moest ik aan zee beter worden. Sindsdien zit die in mijn hart.”

Ik vraag me af of ze gelukkig is. “Ik ben tevreden”, leest ze mijn gedachten. “Al die ziektes, ach, ik probeer daar gewoon niet over na te denken. Want als je er niet mee bezig bent, lijkt het net of ze er ook niet zijn. Weet je dat ik nu al een half jaar niet in het ziekenhuis heb gelegen? Een half jaar! Ze prikt in haar pasteitje en straalt van oor tot oor.”

Even later lopen we terug naar de auto. De zon breekt voorzichtig door. Ik draai me om naar de brasserie om te kijken hoe deze ook alweer heette. ‘Leef’ prijkt er met grote letters. Ik kijk naar Maria en zie dat ze geniet. “Leef” denk ik, ‘jij weet als geen ander hoe dat moet’….



   Maria

4 opmerkingen: